Logo NSDTRCN

SLE (Systemic lupus erythematosus)

De vorm van lupus die wij meest zien is algemene lupus of systemische lupus erythomatosis (SLE); deze vorm is veel ingrijpender dan de huidvorm. Bij de hond zijn de meest aangetaste organen de gewrichten en de nieren. In principe kan echter elk orgaan aangetast worden en dus is het type klinische lupus dat aangeboden wordt zeer gevarieerd en afhankelijk van patiënt tot patiënt. Zo komen soms ook zware ontstekingen voor van het hartzakje (pericarditis) of de onderhuid (panniculitis). Steeds meer wordt begrepen dat lupus gelinkt is of kan zijn aan andere vormen van auto-immuunziekten zoals anemie of bloedarmoede (door antistoffen tegen de aanmaakcellen van de rode bloedcellen), trombocytopenie (idem voor de bloedplaatjes=trombocyten, die bij stolling van belang zijn), de witte bloedcellen, etc. Soms, maar zelden, zal een huidvorm zich ontwikkelen tot een algemene vorm of heeft een algemene vorm ook huidsymptomen.

Symptomen

De meest voorkomende symptomen bij de hond met SLE zijn koorts en pijnlijke gewrichten: meestal de hakken en/of de polsen. En dus manken. Ook hier geldt dat alle gewrichten kunnen aangetast zijn. Soms betreft het maar één gewricht soms symmetrische gewrichten en soms een allegaartje van gewrichten. Gepaard met deze koorts ziet men algemeen ziek zijn met moeheid, slechte eetlust, geen uithoudingsvermogen en manken. De symptomen van lupus gaan zeer erg op en af in tijd: er zijn spontane genezingen voor de rest van het leven of langere periodes (jaren). Soms is de ziekte aanwezig voor enkele weken om dan te verdwijnen en weer “op te poppen” om de zoveel weken. Een deel van deze klinische golven zou te verklaren zijn door het soort voeding. Omega 3 (visolie) blijkt ontstekingsremmend te zijn en zou helpen bij het voorkomen van relapsen (maar is niet sterk genoeg om een echte aanval te blokkeren).

Ontstaan

De reden van het ontstaan van lupus en de aan-af periodes zijn grotendeels onbegrepen en ongekend. Er is wel geweten dat virale infectie, stress en vermoeidheid de ziekte kunnen laten “oppoppen”. In onze eigen ervaring kunnen ook ernstige symptoom opflakkeringen voorkomen korte tijd na een vaccinatie. We raden dan ook af om deze patiënten te vaccineren en daar omtrent reisgedrag aan te passen, alsook de risico’s af te wegen tussen de benefits van een vaccinatie versus een ernstige SLE opstoot. Ook is het beschreven dat er invloed is van hormonen en het seizoen waarbij de ziekte meer voorkomt bij de hond in de zomer en in de herfst. Zeker is dat er genetische aanleg is, zowel bij mens als hond. In bepaalde bloedlijnen in bepaalde rassen (zoals de Nova Scotia Duck Tolling Retriever) is de ziekte veel meer voorkomend dan gemiddeld bij de hond. Bij de mens is bewezen dat erfelijke afwijkingen in bepaalde eiwitten (componenten genaamd) aanleiding geven tot SLE. Deze eiwitten zijn zeer belangrijk in het mechanisme van het immuunsysteem. Ook werd bewezen dat een overproductie van een andere stof in het bloed: IL 10, SLE verslechterd of induceert. IL of interleucine , is ook een groep van eiwitten die van belang zijn bij de afweermechanismes in het lichaam. Sommige van deze IL eiwitten hebben een activerend mechanisme bij afweer en ontstekingen terwijl andere net andersom werken. In bepaalde gevallen worden deze IL stoffen zelfs gebruikt als medicijn om ontstekingen zoals artrose en allergie te behandelen (IRAP bijvoorbeeld). In één studie is ook aangetoond dat honden met SLE beduidend vaker antilichamen hebben tegen lyme disease. Dit laat wat licht schijnen op de vaststelling dat de ziekte meer in de zomer en herfst wordt beschreven.

Onderzoek naar erfelijkheidsfactoren

Bij de hond is genetisch onderzoek ook goed op weg om bepaalde genetische afwijkingen te identificeren die te maken hebben met SLE. Er zijn bij de hond al vijf genetische locaties bepaald die te maken hebben met SLE en of verwante ziekten zoals reumatoïde artritis (IRMD) en immuun gemedieerde arteriitis (SRMA) (let op: artritis is gewrichtsontsteking, arteriitis is ontsteking van de slagaders zoals deze voorkomt bij bepaalde vormen van hersenvlies of hersenontstekingen). Dit onderzoek wordt bijvoorbeeld uitgevoerd bij de Nova Scotia Duck Tolling Retriever waarbij de ziekte SLE voor kan komen. Maar ook de hersen arteriitis (SRMA) is bij de Nova Scotia Duck Tolling Retriever beschreven.

Diagnose

Bij bloedonderzoek worden allerlei afwijkingen waargenomen bij SLE: meestal een stijging van de witte bloedcellen, een stoornis in de eiwit fracties (electroforese) en soms nierafwijkingen en bloedarmoede. Maar het bloedbeeld kan zeer variabel zijn en moet met zorg worden geïnterpreteerd. Urine onderzoeken tonen ook soms afwijkingen zoals bijvoorbeeld eiwitverlies. Er zijn ook meer specifieke bloedtesten die mikken op het onderzoeken van de auto-immuun ziekte zelf, deze betreffen onder andere de aanwezigheid van LE cellen en een positieve ANA (anti-nuclear-antibody of antilichamen tegen bepaalde eiwitten in de celkern) test. Ook de reuma test hoort hier in dit rijtje hoewel hij minder specifiek is. Helaas zijn deze bloedtesten bij de hond soms negatief bij zieke dieren en soms heeft men positieve resultaten bij normale honden. Deze testen zijn dus niet altijd even betrouwbaar voor een exacte diagnose. Allicht zullen betrouwbaardere bloedtesten op de markt komen over enkele jaren. Enkele daarvan worden nu getest zoals de double stranded DNA antibody test. Een andere test die gebruikt wordt om de diagnose te verfijnen en bevestigen bij huid en nier lupus, is een bioptname en kleuring met speciale gemarkeerde kleurstoffen die antistoffen opsporen. Deze test is zeker geen routine bij de SLE die bij de hond voorkomt. De meest duidelijke diagnostische test bij de hond is de uitslag van de gewrichtspunctie van een aangetast gewricht. Daarin ziet men een zeer erge ontsteking (exudatieve arthritis) die erg gelijkt op een infectie in het gewricht, echter zonder bacteriën.

Behandeling

Vele factoren zijn bij SLE blijkbaar van belang zoals oververmoeidheid, voeding, vaccinaties, stress, etc. Hierop kan je wat inwerken door logische beslissingen over hoe te leven met je hond. Een echt zieke hond die in crisis is moet zeker behandeld worden met medicatie. Deze bestaat steeds uit immuunonderdrukkende medicatie zoals: cortisone, cyclophosphamide, methotrexate, azothioprine, cyclosporine al dan niet in combinatie met nizoral, mycophenol zuur en anti-Blys (ook genaamd Baff of Belimumab of B lymfocyte stimulator) en vaak bestaat de behandeling uit combinaties hiervan. Dit zijn de medicijnen die ook worden toegediend bij patiënten met orgaan transplantaties van bijvoorbeeld nier en hart. In sommige gevallen, maar vooral bij de mens, worden ontstekingsremmers en pijnstillers als extra toegediend, ook om de dosis van andere medicatie te verminderen. Bij de hond is dit wat problematischer omdat combinaties aanleiding kunnen geven tot de ontwikkeling van maag- en dunne darmzweren en dan nog meer medicatie nodig is (maagzuurremmers en prostagladine toevoegingen). Ook wordt soms bij de mens gebruik gemaakt van anti malaria middelen omdat ook deze een inwerking hebben op afweerreacties. Voor zover we weten is dit bij de hond geen gewoonte. De aanpak varieert erg per instituut en dierenarts. Er spelen persoonlijke voorkeuren mee en ervaring. En de mogelijkheid om te variëren geeft speelruimte om nevenwerkingen te beperken en maximaal klinisch resultaat te behalen. Belangrijk is om te beseffen als eigenaar dat Lupus niet echt (bijna nooit) geneest en dus een levenslange opvolging vraagt. Geregeld klinisch onderzoek, bloedanalyse en soms gewrichtsvocht onderzoeken zijn nodig. Belangrijk is ook om niet ontmoedigd te raken als er weer een “pop- up” is: deze kan meestal goed worden opgevangen en is goed behandelbaar mits er redelijk snel overleg is met de dierenarts en een goede therapeutische aanpak. Omdat het toedienen van deze medicatie ook afwijkingen geeft in de bloedonderzoeken die soms erg gelijken op deze van de ziekte zelf is de nodige voorzichtigheid geboden in de interpretatie. Een ervaren en gespecialiseerd oog en oor is dan ook zinvol.

Geschreven door

Dr. Luc A.A. Janssens,
DMV, Ph.D, Dipl.ECVS, Specialist chirurgie gezelschapsdieren
Dierenartsen centrum Anubis/Aartselaar (B) en KSD Rotterdam